Verhaal

Belgische vluchtelingen in Wijhe 1914-1918

De Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) zou, naar later bleek, als de “Grote Oorlog” in de geschiedenisboekjes terecht komen. Het totaal aantal vluchtelingen dat naar Nederland kwam bedroeg in totaal één miljoen. Het grootste deel van deze vluchtelingen keerde na enkele weken terug. Ruim honderdduizend Belgen bleven gedurende de oorlog in Nederland wonen.

In Overijssel werden 10.000 Belgen opgevangen. Een Provinciaal Comité was verantwoordelijk voor een eerlijke verdeling van de vluchtelingen over de verschillende gemeenten. Partikulieren boden diensten aan voor de opvang. Sommige gemeenten werkten niet mee.

Op 10 oktober 1914 kwamen in de gemeente Wijhe 52 vluchtelingen aan: 20 mannen, 20 vrouwen en 12 kinderen. Het plaatselijke opvangcomité bestond uit één persoon, mevrouw H.C. Schimmelpenninck- van Vloten, de echtgenote van de toenmalige burgemeester. In het eindverslag dat zij na afloop van het opvangproject heeft gemaakt, vermeldt zij met kleine letters in een voetnoot: “Een commissie is hier niet geweest. Zeer veel medewerking en hulp heb ik ondervonden van den Heer H. Maas en den Heer en Mevrouw A. Maas, die dicht bij de fröbelschool wonen”.

Zij runde kennelijk de opvang van de groep Belgen geheel in haar eentje, met de welwillende medewerking van de familie Maas.

De familie Maas woonde aan de Oranjelaan, op de plek tegenover het koetshuis van Wijhezicht. Men had daar een sigarenfabriek.

De fröbelschool is bij de meeste lezers bekend als het tot appartementencomplex omgebouwde Franse School aan de Stationsweg. Dit pand heeft dus gediend voor de opvang van gevluchte Belgen.

Op de hierbij afgebeelde foto, genomen aan de voorkant van het gebouw, krijgen de gevluchte Belgen een gezicht. Het onderschrift dat mevrouw Schimmelpenninck heeft toegevoegd luidt: “10 Oct - 1914 – 50 Belgische vluchtelingen”.

Met de aantallen is iets aan de hand. Op de foto staan nog geen 50 personen. Het officiële aantal is 52, terwijl een lijst in het Historisch Centrum Overijssel 39 namen noemt. Het verloop onder de vluchtelingen is groot. Op 17 october 1914 vertrokken 2 jonge mannen door bemiddeling van een pastoor als aspirant onderwijzers naar Borne. Later zijn zij werkzaam geweest als onderwijzer in het opvangkamp voor vluchtelingen in Nunspeet. Een week daarna gingen 2 mannen en 2 vrouwen terug naar België. Op 10 december 1914 vertrokken nogmaals 2 mannen, 4 vrouwen en 2 kinderen naar België.

In ieder geval hebben in Wijhe verbleven de families Simon, Van Mieghem, Calié, Van Vlem, Mintieus, Roes, Vandenbroeke, Claes, Van Brautighem, Versmissen, Krix en de heer Van der Heyden. De familie Simon kwam uit Liucent, was franstalig en verstond geen Vlaams; de anderen kwamen uit Antwerpen.

Mevrouw Schimmelpenninck correspondeerde uitgebreid met het in Enschede gevestigde provinciaal opvangcomité. Zo meldt zij dat “we het met het soort mensen bijzonder hebben getroffen, wat het soort aangaat. Ze zorgen voor zichzelf, wat hun huishouding binnenhuis betreft en zijn erg netjes. Een schipper onder hen kookt uitstekend en zij zijn erg gewillig en dankbaar. Dit neemt niet weg dat ze onder elkaar dikwijls kibbelen”.

De vluchtelingen werden ook ingeschakeld voor het welzijn van de Nederlandse militairen die waren gemobiliseerd: “De vrouwen hebben van de wol die ik hen bezorgde 100 paar handschoenen voor de Hollandse soldaten gebreid en daarna van wol van een damescomité in Utrecht 50 bivakmutsen. Ze zijn er trotsch op dat er bericht kwam dat ze zoo goed waren, dat men nog 100 mutsen zond die verkeerd waren gebreid. Die doen ze nu gedeeltelijk over”.

Als later blijkt dat de “wolbronnen” zijn opgedroogd dreigt er een probleem omdat er vrouwen zijn die toch graag willen blijven breien. “Als ze voor zichzelf breien voorzie ik jalouzie onder de anderen en heb dan maar liever geen wol”, pleit mevrouw Schimmelpenninck op 17 januari 1915. De vrouwen gaan dan over op het maken van “zeeplappen” voor de wijkverpleging.

Op 25 december 1914 werd Josephina Francisca Augustina geboren, zoontje(!) van mevrouw Claes van Brautighem.

In februari 1915 meldt mevrouw Schimmelpenninck dat ze eind van die maand wederom een zuigelingenuitzetje nodig heeft. Ze vraagt of het provinciale opvangcomité daarvoor kon zorgen of dat ze dat zelf bij elkaar moet zien te krijgen. Dit kind, eveneens een jongetje, werd pas veel later geboren op 15 april 1915.

In de school was een mannen-, een vrouwen- en een kinderslaapzaal. Voor de kraamvrouwen werd in het dorp een kamer gehuurd en door de wijkverpleging van het nodige voorzien.

Op 13 februari 1915 keerden 4 vrouwen en de baby die in december 1914 werd geboren terug naar Antwerpen.

Kleding voor de vluchtelingen zorgde een comité in Amsterdam. Soms werd een kist met kleding afgewezen vanwege de slechte kwaliteit. Men zond deze vanuit Wijhe door naar het kamp voor vluchtelingen in Nunspeet. Daar kwam het er kennelijk minder op aan welke kwaliteit de kleding zou moeten hebben. Hoe dan ook, de latere zendingen “zijn heel mooi en bijna alles nieuw. Alleen de vrouwenblouses zijn beneden alle critiek, zelden dat er een bruikbare bij is, 't zijn allemaal versleten flodders gewoonlijk”.

De mannen laten zich onderwijl niet onbetuigd. Zij zijn “bij mijnheer de Vos (bedoeld zal zijn de Vos van Steenwijk op het landgoed De Gelder) aan het werk en geven mij zoals u weet 40 % van hun verdienste tot een maximum van f 3,- per week. De eerste week kreeg ik zoodoende dadelijk al over de 12 gulden, die ze allen met genoegen gaven. Daarvan gaf ik de koks wat en de rest spaar ik op om aardappelen die we kochten te betalen”. Ook de 2 soldatenvrouwen gaven 40 % van hun uitkering. De dagvergoeding van overheidswege was 35 cent per volwassene en 20 cent per kind. Partikulieren hebben in de kosten van de opvang totaal f 100,- bijgedragen. Samen met de eigen bijdragen en de partikuliere giften heeft men de financiële eindjes aan elkaar kunnen knopen.

Ook zijn goederen afgestaan of in bruikleen gegeven. Van regeringswege werd alleen een grote kookpot aangeschaft. De vluchtelingen vragen geen suiker te verstrekken “daar dat deze luxe was en alleen des Zondags werd een versnapering bij den boterham gegeven”.

Door het Provinciaal Comité werd verzocht om de Belgische vluchtelingen onder de aandacht te brengen dat van regeringswege “eerste klasse landbouwers” in de gelegenheid werden gesteld zich in Amerika te vestigen. Mochten de vluchtelingen hier iets voor voelen, dan konden zij beschikken over bepaalde emigratiefaciliteiten die ook voor Nederlanders golden. Hiervoor was echter geen belangstelling.

Op 31 mei 1915 zijn er volgens mevrouw Schimmelpenninck nog 14 Belgen in Wijhe: een familie van 12 personen en een dokwerker met zijn vrouw. De dokwerker heeft hier werk gevonden. Hij denkt dat hem dit gedurende de oorlog in Antwerpen niet zal lukken.

Op 29 juni 1915 kwamen 1 man en 1 vrouw tijdelijk weer terug naar Wijhe. Zij vertrokken weer op 20 augustus 1915. Op dezelfde dag keerden 3 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen terug naar België.

Enkele dagen later vertrokken de dokwerken en zijn vrouw naar Ede. Volgens de gemeentelijke registratie is er dan geen vluchteling meer in Wijhe. Volgens de provinciale registratie is er op 31 augustus 1915 nog één persoon in Wijhe. Dat is ook het geval op 31 december 1915 en op 31 maart 1916. Het verloop van het aantal vluchtelingen in Wijhe is onduidelijk, omdat de provinciale en de gemeentelijke registratie niet gelijk oplopen.

Het verblijf in Wijhe was van beperkte duur. Dit zal ook de reden zijn waarom er over deelname van de Belgen aan het dorpsleven in Wijhe niets is te vinden.

 

Freerk Kunst.

Reacties