Verhaal

Bezetting, bevrijding, ramp: Wijhe in 1945

Auteur: 
G.J. Veerman

Op maandag 7 mei 1945, twee dagen na de capitulatie van de Duitsers, omstreeks 17.15 uur werd Wijhe opgeschrikt door een enorme explosie die tot ver in de omgeving te horen was. Al gauw bleek dat er een ontploffing had plaatsgevonden in een gebouw op het terrein van de voormalige vloerzeilfabriek aan de Enkweg, ten zuiden van de bebouwde kom. In dit gebouw met een lengte van 75 en een breedte van 19 meter waren aan de Enkwegzijde de kantoren van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) gevestigd. De rest van het gebouw was in gebruik bij het Militair Gezag en diende o.a. als opslagplaats van meublair.

Onmiddellijk na de ontploffing werd groot alarm geslagen. De Wijhese brandweer, de plaatselijke afdeling van het Rode Kruis, leden van de Luchtbeschermingsdienst, politie en doktoren spoedden zich naar de Enkweg. Daar vonden zij een hevig brandend gebouw waarvan de muren en het dak waren weggeslagen. Brokstukken lagen over grote afstand verspreid en voortdurend vonden er nog min of meer hevige explosies plaats. Een vijftal woningen bleek ernstig beschadigd.

Tussen het puin van het gebouw en op enige afstand ontdekte men meerdere doden, vier zwaar gewonden en het kadaver van een paard. De doktoren Hoogendoorn en Ittman verleenden de gewonden eerste hulp, waarna ze in allerijl naar een Zwols ziekenhuis werden overgebracht. Enkele personen die elders op het terrein aanwezig waren geweest hadden lichte verwondingen opgelopen. De brandweer en de mensen van de Luchtbeschermingsdienst bestreden inmiddels de brand en slaagden erin uitbreiding te voorkomen. De politie hield het toegestroomde publiek op veilige afstand in verband met voortdurende ontploffingen en bracht later samen met leden van de N.B.S. o.l.v. plv. troepencommandant G.A.M. Luchtenberg de elders in de fabriek geïnterneerde N.S.B.-ers naar Wijhezicht over (een herenhuis aan de noordkant van de dorpskern). Van de laatsten hadden enkelen nog korte tijd deelgenomen aan de hulpverlening op het terrein.

In de loop van de avond werd de ware omvang van de ramp eerst goed duidelijk. Veertien doden waren inmiddels geborgen en ter identificatie overgebracht naar de fabriek van Hunink in de Langstraat. Twee personen werden nog vermist, van wie er één de volgende morgen alsnog geborgen kon worden. Het laatste slachtoffer, Mannie Marskamp uit Marle, werd pas op 10 mei gevonden. Van de zwaar gewonden bezweken er drie op 7 en 8 mei 1945 in het Sophiaziekenhuis aan hun verwondingen.

Trieste balans van deze ramp: 19 doden. Het waren:
- Leden van de N.B.S. Wijhe: Gerrit van der Bend 26 jaar, Jan Boers 26 jaar, Aleid Willem Boers 23 jaar, Janna Hendrikje Dekker 20 jaar, Hermanus Petrus Kutschruiter 23 jaar, Hermanna Marskamp 19 jaar, Hermannus Johannes Schoenaker 28 jaar.
- N.B.S.-leden, behorende tot de IJsselcompagnie: Gerrit Jan van der Linde, Deventer 22 jaar, Antoon Linssen, Brunssum 22 jaar, Jacob Meyer, Zaandam 24 jaar, Jan Hendrik Ullenbroek, Heyen (L) 28 jaar, Roelof Zweers, Gramsbergen 24 jaar.
- Verder kwamen om de 24-jarige Helene Gerritdina van Enst die bij het gebouw arriveerde om een boodschap te doen en de volgende kinderen die bij het gebouw speelden: Ronald Herman Dee 7 jaar, Victor de Jong 6 jaar, Hendrika Everdina Christina Kupper 4 jaar, Hendrik de Smit 15 jaar, Johanna Theresia Thoben 5 jaar en Josephina Maria Hubertine Vos 14 jaar.
- Tot de zwaar gewonden behoorden de 14-jarige Hermannus Hendrikus Dul die bij het gebouw speelde en de 43-jarige Berendina Voersma-Frühling die in haar woning naast de fabriek gewond raakte. Beiden herstelden van hun verwondingen.

De verslagenheid onder de Wijhese bevolking was groot na deze ramp. Op 9 mei vond de begrafenis plaats van de meeste slachtoffers; enkelen werden elders ter aarde besteld. 's Morgens had de uitvaart plaats vanuit de R.K. kerk en 's middags vanuit de N.H. kerk. Meer dan 1000 belangstellenden volgden telkens de stoet naar de begraafplaatsen, waar o.a. het woord werd gevoerd door de waarnemend burgemeester, de districts- en de plaatselijke commandant van de N.B.S. en een vertegenwoordiger van het Militair Gezag.

In de dagen die volgden vroegen velen zich af hoe een dergelijke ramp kon gebeuren, wat er precies mis gegaan was. Het onderzoek dat na de ramp werd ingesteld leidde niet tot een antwoord op deze vragen. Allen die zich in en bij de kantoren hadden bevonden, waren immers om het leven gekomen. Wel werd uit getuigenverklaringen een en ander duidelijk over verstoorde verhoudingen, over het niet of onvoldoende naleven van voorschriften. Het waren zaken die uiteindelijk wel tot de ramp geleid hebben.

Hoe was de situatie voor de ramp

In het gebouw van de vloerzeilfabriek waren behalve de kantoren van de N.B.S. nog twee wachtlokalen en een vestibule ingericht. Eén vertrek diende verder als wapenkamer. Hier waren H.J. Schoenaker en diens vervanger M.J. Zandbergen belast met het in ontvangst nemen van oorlogstuig dat door burgers of leden van de N.B.S. werd gebracht. Met het opsporen en verzamelen van wapens en munitie hield zich ook de IJsselcompagnie "Salland" van de N.B.S. bezig. Deze in Wijhe gelegerde compagnie, bestaande uit 137 manschappen met als commandant J.W. de Bruyn, was verder belast met wegcontrole en bewaking van de IJssel in de gemeenten Wijhe en Olst. Enkele pelotons hadden onderdak gevonden bij Slingerland aan de Scherpenzeelsweg, richting Olst en op boerderij "De Paddenpol" in Wijnvoorden, bij de spoorwegovergang halverwege Herxen. Bij omwonenden maakten de uit alle delen van het land afkomstige N.B.S.-ers niet altijd een onverdeeld gunstige indruk. Sommigen kwamen bij de bevolking over als avonturiers die niet al te veel omhanden hadden en uit pure verveling soms door plafonds of deuren schoten. Typerend was ook de opmerking van een boer die zei dat hij net zo lief moffen in zijn boerderij had.

Op 23 april ontving compagniescommandant De Bruyn van pelotonscommandant Brandenburg van "De Paddenpol" een rapport waarin de laatste meedeelde dat bij de "groene dijk" tussen Wijnvoorden en Herxen landmijnen waren ontdekt. Omwonenden hadden hem verder gemeld dat de Duitsers voor de bevrijding nog veel meer landmijnen hadden gelegd. Bij enkele boeren werden inderdaad 21 lege kistjes aangetroffen, waarin de landmijnen hadden gezeten. De Bruyn verzocht de commandant van "De Paddenpol" de volgende dag een patrouille van vrijwilligers in te stellen om de mijnen te lokaliseren. Een opdracht om de mijnen uit te graven en te vervoeren werd door hem niet gegeven. De leider van de patrouille, groepscommandant Lacroix, die op de dijk acht mijnen aantrof, liet deze echter wel uitgraven en naar de boerderij van Jansen vervoeren, zonder ze eerst onschadelijk te maken. De volgende dag werden nog eens 20 à 30 mijnen ontdekt, die men voorlopig liet liggen. Wel werd er een stuk karton met het opschrift "Mijnengevaar" geplaatst.

Compagniescommandant De Bruyn verklaarde tijdens het onderzoek dat de eerder genoemde Lacroix moeite had om zijn pelotonscommandant Brandenburg te erkennen en dat hij nogal eens eigenmachtig optrad. Hierdoor werden de verhoudingen op "De Paddenpol" verstoord en op 2 mei werd Lacroix dan ook overgeplaatst naar het compagniesbureau in Wijhe. Eind april was ook het eerste oorlogstuig van Wijnvoorden naar Wijhe vervoerd, zonder dat de commandanten hiervan afwisten.

Een N.B.S.-er van "De Paddenpol" had de zoon van Klein Meulman (buurman van "De Paddenpol") gedwongen om met paard en wagen granaten weg te brengen. De lading bleek echter behalve uit 21 mortiergranaten ook te bestaan uit landmijnen, pantservuisten en 5 kg. springstof. Bij de vloerzeilfabriek werd een en ander door twee geïnterneerde N.S.B.-ers gelost en in de wapenkamer opgeslagen. Doordat ook van elders uit de gemeente granaten, mijnen enz. waren aangevoerd, bestond de voorraad in de wapenkamer voor de fatale 7e mei al uit ongeveer 40 landmijnen, 60 granaten, 40 handgranaten, een kist geweerpatronen, 5 kg. springstof en een aantal pantservuisten.

Op 7 mei verschenen 's middags enkele N.B.S.-ers van "De Paddenpol" bij Klein Meulman en eisten opnieuw een paard en wagen. Klein Meulman voelde er weinig voor mee te werken, maar de mannen haalden zonder meer het paard uit de stal, spanden in en vertrokken. Op "De Paddenpol" was de pelotonscommandant Brandenbrg die dag met compagniescommandant De Bruyn op dienstreis en als zijn vervanger trad zoals gewoonlijk op de sectiecommandant G.J. van der Linde. Deze was het die besloten had om maar eens weer een vrachtje landmijnen naar Wijhe te brengen. Samen met de leden uit zijn sectie, de heren Ullenbroek, Meyer en Zweers, gingen ze op weg naar het dorp. Op de wagen ongeveer 16 landmijnen, waarvan de ontstekingen niet waren verwijderd en die niet in de daarvoor bestemde kistjes waren gepakt, maar los op de wagen lagen. De mannen reden door de Langstraat, pauzeerden bij boekhandel Van Dillen, midden in het centrum bij de oude dorpskerk, om nog even een paar ansichtkaarten te kopen en arriveerden even na vijven bij de vloerzeilfabriek.

Hier reed de wagen eerst naar het achterterrein waar door de N.B.S.-ers aan enkele daar aanwezige mensen nog getoond werd hoe een landmijn in elkaar zat. Vervolgens keerde de wagen om de mijnen bij de kantoren af te leveren. Onderweg sprong Mannie Marskamp op de wagen en reed mee naar voren, waarna begonnen werd met het naar binnen brengen van de mijnen. Even later vond de explosie plaats. Niemand zal ooit weten wat er binnen is gebeurd.

In het verslag van het onderzoek werd slechts de eindconclusie getrokken dat van de leden van de N.B.S. slechts enkelen een militaire opleiding hadden gehad en dat er op roekeloze en ondeskundige wijze met vuurwapens werd omgegaan. Verder bleek uit de verhoren dat ook de plaatselijke commandant van de N.B.S. schriftelijke orders had ontvangen van de districtscommandant betreffende landmijnen. Deze moesten onaangeroerd blijven liggen, waarbij de vindplaatsen duidelijk aangegeven dienden te worden met borden. Vervolgens moesten de Canadese autoriteiten gewaarschuwd worden en deze zorgden dan voor het onschadelijk maken van de mijnen. Groepscommandanten van de Wijhese N.B.S. ontkenden tijdens het onderzoek ooit van deze orders op de hoogte te zijn geweest. Was dit wel het geval geweest dan hadden zij de tegen de orders uitgegraven landmijnen uit Wijnvoorden niet geaccepteerd. Tenslotte, voor velen bleef het ook onbegrijpelijk dat het verzamelde oorlogstuig werd opgeslagen in een kamer in het gebouw zo dicht bij de kantoren en niet op een goed afgerasterd terrein in de openlucht.

Bevrijdingsfeesten

Op 30 juli, 31 juli en 1 augustus 1945 vierden de Wijhenaren het uitgestelde feest van de bevrijding. Voorafgaande aan de feestelijkheden werd in de N.H. kerk een herdenkingsdienst gehouden, waarin het woord werd gevoerd door ds. W.Th. Hoek, pastoor F.C. Cosijnse, waarnemend burgemeester K. Nijland, godsdienstonderwijzer J. Evertse en ds. J.S. Greidanus.

Daarna barstte de feestvreugde los in het dorp. Vrijwel alle straten waren fraai versierd. Op het feestterrein bij "Het Slot" (aan de noordkant van het dorp) kon men zich vermaken in kermisattracties en op verschillende paatsen in het dorp werden volksspelen georganiseerd. Op het Marktplein was een dansvloer aangelegd, evenals aan de Nieuwendijk op de plek van de in de oorlogsjaren zo bekende "Sing-sing". In de cafés werd vanzelfsprekend tot in de late uurtjes feest gevierd.

Velen bekeken ook de bonte optocht die door de straten trok en waarbij soms herinneringen aan de bezettingsjaren weer boven kwamen.
Ook in Herxen en op de Elshof werd volop feest gevierd en trok men met versierde wagens rond.

Een bijzonder optreden kwam tijdens de bevrijdingsfeesten van de zijde van de Wijhese Harmonie. Ze bracht op het station een muzikale hulde aan het spoorwegpersoneel dat in september 1944 in staking was gegaan. Ze deed dat op het moment dat de spoorverbinding Zwolle - Deventer was hersteld en een van de eerste treinen Wijhe weer aandeed.

*Overgenomen uit: G.J. Veerman, Wijhe, voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, deel 3, uitgave Historische Vereniging Wijhe, 1993, 1e druk.

Reacties

afbeelding van Sjaak Giezenaar
Ik ben bezig, naar aanleiding van eerdere contacten met schrijvers over artikelen van verzetstrijders, met een artikel over de uit Brunssum afkomstige onderduikers c.q. verzetstrijders t.w. Toon Linsen, Xavier Jansen, Paul Velraeds, Chris Bosmans. Behalve dat het Brunssummers waren waren het ook alle vier nog familie van elkaar, neven en achterneven. Hun voorouders kwamen allemaal uit hetzelfde, oudste gedeelte, van Brunssum (De Gracht). Gaarne zou ik van u willen weten of de naam van Antonius Linssen ook vermeld staat op het verzetsmonument van Wijhe en Olst. Verder zou ik gebruik willen maken van gegevens welke in uw artikelen over het verzet en het drama van 7 mei 1945 zijn opgenomen. Uiteraard met vermelding van de bron. Sjaak Giezenaar.
afbeelding van Freerk Kunst
De naam Linssen komt voor op het oorlogsmonument te Wijhe. U mag, onder vermelding van de bron, gebruik maken van de gegevens in de artikelen over het verzet en de ramp op 7 mei 1945 in Wijhe.
afbeelding van m.j.calen
geachte redactie Ik had al eerder mijn verbazing uit gesproken over de slechte gedenkplaats van al deze slachtoffers, de verkeerde plaats van de gedenk plaat. Ook hoe mijn schoonvader [opper van Dam] hevig te keer is gegaan [zelf al reeds 1912] militair maar er werd niet naar hem geluisterd! Doe er wat aan gr. m.j.calen