Verhaal

Kermis Wijhe en de draaimolen van Gigengack

De Wijhese kermis, een terugblik.

Artikel gebaseerd op een publicatie van Gerrit A. Hulleman in het verenigingsblad Rondom de Toren, nr. 30, 1991.

Als begin september de kermisattracties op het Marktplein van Wijhe staan opgesteld, zal menige (oudere) Wijhenaar ongetwijfeld nog eens met weemoed terugdenken aan de sfeer van gezelligheid en saamhorigheid, die vroeger zo kenmerkend was voor de beleving van de kermis in dit IJsseldorp.

De naam “Gigengack” zal dan ook zeker vallen. De prachtige carrousel, die bijna 110 jaar ons dorp heeft bezocht, heeft plaatsgemaakt voor kleinere draai- en kindermolens.

In 1874 was de prachtige carrousel van Fredrich Ferdinand Gigengack voor het eerst in

Wijhe te bewonderen; hij moet omstreeks 1850 als kermisexploitant zijn begonnen.

De vroegere draaimolens waren nog primitief, de houten paarden werden hangend in de molen bevestigd. Om meer personen te kunnen vervoeren werd het aantal paarden uitgebreid, totdat men ze tenslotte op een houten vloer monteerde.

Ook werd de molen nog met de hand voortbewogen, een inspannend karwei.....

 

Op 25 augustus 1875 schreef de Wijhese caféhouder De Groot de volgende brief aan mevrouw M.C. Gigengack – Colignon:

 

“Mejuffrouw, aanstaande week, voornamelijk woensdag en donderdag, is het hier kermis. Tot heden is er geen aanvraag gekomen voor een draaimolen en aangezien deze hier altijd circa f 200,00 à f 300,00 verdient, bedoel ik op deze mooie gelegenheid attent te maken, daar u bij aanvraag aan de burgemeester zeker vergunning zult bekomen”.

 

Deze brief was gericht aan de echtgenote van Fred. Ferd. Gigengack omdat hij zelf in Zutphen werd verpleegd en daar vier maanden na datering van dit schrijven zou overlijden. Toen de molen voor de tweede keer in Wijhe werd opgebouwd, was de Wijhese band met Gigengack een feit.

 

Zoon Johannes Ferdinand kreeg daarna de exploitatie en liet omstreeks 1895 nog een tweede en tevens grotere molen bouwen in Olst. De kleine molen zou overigens gekocht zijn in Aalten.

In 1901 stonden beide molens gelijktijdig in Wijhe.

De stalhouders uit Wijhe verzorgden met hun paarden het transport van de molen, die met twee span paarden in één keer werd overgereden.

Het ene span trok de grote woonwagen met daarachter de orgelwagen, het andere span had de extreem lange pakwagen waaraan een open wagen (met mast) was gekoppeld.

Het was gebruikelijk, dat veel Wijhenaren met de kermis vrij-af namen; enkelen van hen wachtten Gigengack bij de gemeentegrens op. Hierop ging het in een draf naar Wijhe terug, met de mededeling: “Gigengack komt er aan”.

 

Bij aankomst in Wijhe stroomde het publiek toe, want na het uitrijden van de wagens werd allereerst het orgel gestemd en daarna gespeeld en kwam het hele dorp door de muziek alvast in kermisstemming. Er werd meteen volop gehost en gedanst.

Later bezat Gigengack eigen paarden, die naast het transport ook voor de “aandrijving” van de molen zorgden. Eén vloerdeel was opklapbaar, zodat de paarden aan de binnenkant van de molen konden komen en van binnenuit de molen trokken. Aan de vloer waren twee sleepplanken bevestigd, die ervoor zorgden dat de molen kon worden afgeremd.

 

Aan de hand van publicaties in het weekblad “De Wijhenaar” kan gereconstrueerd worden dat de draaimolen in 1926 voor het eerst van elektriciteit was voorzien. De molen stond toen nog pal naast de kerk. Voor de elektriciteitskabel moesten straatstenen verwijderd worden en moest een sleuf worden gegraven. Hierbij stuitte men op de schedels en beenderen van paarden, die (zoals later bleek) afkomstig waren van de kozakken. De paarden zouden daar voor de gedenkwaardige overtocht over de IJssel begraven zijn.

 

Toen de molen met een motor werd aangedreven, liep de uitlaat onder de vloer door. Tegen de binnenkant van de vloer waren beugels bevestigd, waartegen assen liepen die de molen voortbewogen. Het overige materieel bestond uit twee lange bruine pakwagens, een orgelwagen, die gedeeltelijk gedemonteerd in de molen werd gereden, en een uitgebouwde woonwagen met daarop de tekst “Uit en thuis”.

Het prachtige draaiorgel (een Ruth) dateert uit 1912 en werd in 1928 door Frans Gigengack, de zoon van Johan Ferdinand), gekocht. Dit orgel verkeert nog steeds in uitstekende staat en pronkt in de huidige carrousel.

De kermis was vaak een familie-evenement. Zo waren vaak aanwezig: J.H. Karkslag – Gigerngack (zweefmolen), E. Gigengack (luchtschommels), F.F. Gigengack (ballentent), T. Gigengack (piramidespel) en W. Gigengack (podiumzweefmolen). Willem Gigengack overleed in 1946 in Wijhe.

De Gigengacks deden goede zaken, want als 's avonds de kas werd opgemaakt, moesten de muntstukken in meerdere emmers worden weggebracht!

 

Franciscus Anicetus Gigengack nam vervolgens de molen over. Niet alleen met de septemberkermis, maar ook vaak met Pinksteren en Koninginnedag was de molen in Wijhe te bewonderen.

Gedenkwaardig was de zogenaamde laatste rit, die iedereen wilde meemaken. De molen puilde dan letterlijk uit en is zelfs een keer scheef gezakt, zoveel mensen stonden in en hingen aan de molen. Het was niet uitzonderlijk wanneer een welgestelde Wijhenaar de molenbaas een bedrag gaf met de mededeling: “Jij weet wel wie er graag mee willen en er geen geld voor hebben”.

Frans Gigengack ontving van het Wijhese gemeentebestuur in 1949 een erepenning in verband met het feit dat de molen voor de 75e keer Wijhe aandeed. Dat hij hiermee verguld was bleek wel uit het feit, dat hij deze penning liet afbeelden op zijn briefpapier. In 1964 nam A.J. Gigengack, de broer van Frans, de exploitatie over en voerde diverse technische aanpassingen door.

 

 

In 1974 werd een groots jubileum ingeluid: de molen stond voor de 100e maal in

Wijhe. Het gemeentebestuur liet zich niet onbetuigd door de familie een tinnen bord aan te bieden. De familie Gigengack schonk op haar beurt een bronzen miniatuur-draaimolen, vervaardigd door de Oldenzaalse beeldhouwer J. Kip. Deze staat nu in de Wijhese oudheidkamer.

De Wijhese Harmonie bracht in de molen een muzikaal eerbetoon en zelfs enkele straten in Wijhe waren versierd.

Frans Gigengack was aanwezig met zijn trailer, waarin een expositie was ondergebracht.

De draaimolen van A.J. Gigengack was in 1983 voor het laatst in Wijhe te zien.

De daarop volgende twee jaren was P.H. Gigengack met diens molen en snackwagen nog in Wijhe. Daarna was het de beurt aan andere draaimolen-exploitanten, tot spijt van veel Wijhenaren. Rest Wijhe alleen nog de herinneringen aan “hun molen van Gigengack”.

Over de Wijhese band met de Gigengacks zijn enkele bladzijden gewijd in het boekje: Geschiedenis van het geslacht Gigengack”, in 1954 geschreven door J.W.M. Gigengack.

 

Naast de bronzen molen bevinden zich nog twee andere miniaturen van de molen in Wijhe.

H. Hofstede ( “Karm's Dieksien”) bouwde ruim een halve eeuw geleden de molen na, die hij soms op een kruiwagen monteerde om op de kermis ten toon te stellen. Frans Gigengack had gezorgd voor de miniatuurpaarden die hij in Duitsland had gekocht. Bij de molen behoren twee pakwagens, waarin deze wordt opgeborgen.

Het andere miniatuur is vervaardigd door C.J. IJsendoorn, die de molen in 1989 aan de oudheidkamer van de Historische Vereniging Wijhe heeft geschonken. De molen is inmiddels voorzien van zelfgemaakte schuiten, wagens en paarden. Al met al een prachtig exemplaar, compleet met muziek van het oorspronkelijke orgel van Gigengack. Op verzoek (meestal van kinderen tijdens een rondleiding) laten vrijwilligers van de oudheidkamer de molen draaien en is de muziek te beluisteren.

In 1991 heeft de heer Kulpe met zijn nostalgische draaimolen ingeschreven voor de Wijhese kermis, die, evenals de Gigengacks, afkomstig is uit Hengelo. Deze draaimolen is zeker een aanwinst. De naam Kulpe zal menig plaatsgenoot bekend in de oren klinken, omdat dan direct verband wordt gelegd met de luchtschommels van de heer Kulpe, die in vroegere jaren menigmaal Wijhe aandeed.

Grootvader Kulpe kwam voor het eerst op 20 en 21 april 1929 met zijn luchtschommels en een groot lunapark naar Wijhe en draaide in het land van Edelijn (nu Paasweide). Hij exploiteerde twee luchtschommels, een danstent en twee draaimolens. De danstent was voorzien van dik rood pluche en de entreeprijs loog er niet om: één gulden was in die tijd een kapitaal. Bekend was de zogenaamde “dubbeltjesdans”. Dit was een systeem waarbij aan de zaal geen entree werd geheven, maar tijdens de pauze van twee dansen, door enkele mannen een dubbeltje werd opgehaald bij degenen die als paar op de dansvloer waren.

Het lunapark, ook wel cakewalk genoemd, was hier vaak te zien. Daarin bevonden zich “lustige tonnen” en nog een andere publiekstrekker: “de glijbaan”. Aan het eind van de baan was aan de onderkant een windmachine gemonteerd, die ervoor zorgde dat de rokken van de dames hoog opwaaiden. Uiteraard tot groot vermaak van de overige bezoekers.

De luchtschommels werden vroeger per trein vervoerd. Stalhouderij Overkempe zorgde voor het transport van de salonwagen, de twee pakwagens en de orgelwagen naar het Marktplein. Later werd de attractie met een Chevrolet getransporteerd. De heer Kulpe heeft tot het eind van de vijftiger jaren de kermis in Wijhe bezocht en overleed in 1965. De luchtschommels kwamen onder de slopershamer.

 

De Wijhese kermis heeft vooral de laatste 10 jaar behoorlijk aan sfeer en belangstelling ingeboet en alle zeilen zullen bijgezet moeten worden om de kermis weer op “niveau“ te brengen.

De Stichting Culturele Evenementen Diekschoevers heeft de organisatie van de kermis met ingang van 1992 op zich genomen.

Momenteel is de kermis in het eerste weekeinde van september, een onderdeel van de Wiehese Diekdaegen. Met vele leuke randactiviteiten heeft het een regionale uitstraling. Een dorp met zo'n rijke kermishistorie heeft dat verdiend.

 

Reacties

afbeelding van Riki Klein Woolthuis
Een prachtig verhaal over een stukje immaterieel erfgoed in Wijhe.