Verhaal

Mandenmakerij in Wijhe

Auteur: 
Janet Bennink

Dit handwerk bestaat al vanaf de tijd dat Adam en Eva uit het paradijs verdreven werden. Van oudsher gebruikte men korven of manden voor de opslag van voorraden. Voor de bouw van hutten vlocht men matten, die men ging bestrijken met leem of klei. Een bekend verhaal uit de bijbel is dat van Mozes in het biezenmandje.

De mand was onmisbaar in het bedrijf, ze is taai, licht, buigt mee en is voor de verpakking van elk product en voor elk doel geschikt. De grondstof is griend. Langs de rivieren waar eerst de uiterwaarden lagen buiten de dijk, komt nu langzamerhand een heel bijzondere vorm van cultuurbos: de grienden. Dat zijn reusachtige wilgenplantages waar tegen de winter na 1, 2, 3 of 4 jaren de jonge buigzame wilgentakken gekapt en op de twijgverkoping in percelen verkocht werden om ze daarna voor allerhande vlechtwerken te gebruiken. In twijg heeft men verschillende rassen zoals: Hollandse Kat, Amerikanen, Belgisch Rood en Frans Geel. De grienden bij Sliedrecht bestaan bij de gratie van eb en vloed, die veel rivieren hogerop de rivier nog goed merkbaar zijn. Bij vloed dringt vanuit zee zwaar zout water onder het zoete water door. Hierdoor stijgt het peil belangrijk en steeds blijft dat zoete water boven drijven. De lage uiterwaarden raken daardoor bij ieder getij overstroomd en dat is juist hetgeen de wilgen graag hebben om te groeien. De grootste grienden vindt men in de Brabantse Biesbosch, het gebied dat na de Sint Elizabethvloed (1421) reddeloos overstroomde en sinsdien een wildernis is gebleven. Ook vindt men grienden ten zuiden van Utrecht, in de Betuwe en natuurlijk in de omgeving van Wijhe en Zwolle.

De verwerking

Bij de mandenmakerij wordt het hout op de mijt geslagen. Dat wil zeggen dat de bossen twijg om en om worden gelegd. De laatsten schuin naar beneden als een dak, zodat de regen er af kan lopen en de overige bossen niet nat kunnen worden. Om een mand te maken moet men eerst de twijg (teen) weken, in kolken of sloten. Dit duurt ongeveer een week, want anders is ze te hard om te verwerken en breekt de twijg.

De mand vlechten

Eerst worden er een paar tenen gekruist, zodat er een soort spinneweb ontstaat. Dit is de bodem. Nu wordt  het werk omgedraaid en de kim gemaakt. Dat is de rand onder aan de bodem. Vervolgens legt men een hoepel om de bos twijgen en op de bodem een stuk ijzer. Dit gebeurt omdat men dan gemakkelijker kan werken; het werk staat vaster. Het eigenlijke werk begint dan pas, dat wil zeggen, het opslaan van de mand. De inslagtwijgen worden zigzag om de staken gevlochten. Hiervoor is grote handigheid nodig. Als men de mand zo hoog heeft naar de maat, bijv. ¼, ⅓ of ½ hl., dan begint de rand. De staken worden platgelegd en er weer in verwerkt: vier naar voren en twee naar achteren. Daarna komen de oren er nog aan.

Als men witte teen wil hebben moet men “groen hout” schillen. Dit geschiedt met een twijgschiller. Dat is een tang met twee ijzers stijf tegen elkaar, waar men eerst het ondereind van de twijg doorslaat en vervolgens de top inslaat en doorhaalt. Daarna legt men de witte twijgen in de zon te drogen. Men kan ook bufteen verkrijgen. Dat zijn twijgen die men kookt en van de schil ontdoet. De kleur is geelbruin.

De mogelijkheden

De mand kan men in allerlei vormen vlechten en werden voor heel veel doeleinden gebruikt. Voorbeelden zijn:
- Vismanden. Deze gingen met wagonladingen naar de visafslag in IJmuiden en naar de diverse vleesverwerkende fabrieken in het land.
- Aardappelmanden. Voor de aardappeloogst in Groningen waren ieder seizoen duizenden manden nodig. Nadat men op het machinale rooien overstapte was dit voorbij.

Andere gebruiksvoorbeelden waren en zijn misschien nog wel de hooimanden, pluk-, was-, schil-, papier- en boodschappenmanden, rieten meubels, kinderwagens en reiswiegen enz.  Producten die vaak een levenlang meegaan.

Ook veel wilgenhout diende jaar op jaar voor zinkstukken. Dat zijn grote matten die men met bazaltblokken verzwaart en die nodig waren om onder water de dijken te beschermen. Ze werden gemaakt en geplaatst door de bekende Sliedrechtse polderjongens. We hadden in ons land ook een rietvlechtschool in Noordwolde. Daar leerden jongens alles over het vlechtwerk. Ook in het buitenland wordt veel aan mandenvlechterij gedaan. De mand is een produkt dat er altijd al is geweest en ook altijd zal blijven bestaan.

*“Mandenmakerij in Wijhe” is een werkstuk gemaakt rond 1956 door Mulo-leerling Janet Bennink,  dochter van Paul Bennink, mandenmaker in Wijhe, en is aangepast op 31 januari 2006.

Reacties

afbeelding van Riki Klein Woolthuis
De man derde van links is mijn opa van moeders kant. Zijn naam is Gerrit Blok.Hij woonde in Herxen en had een klein boerderijtje. Om geld bij te verdienen ging hij twijg snijden. Zomers ging hij ook vaak naar Duitsland om gras te maaien. Ze gingen daar dan lopend heen met de zeis op de rug.