Verhaal

Mestprobleem in 1663

MESTPROBLEEM IN 1663.

Uit een plakkaat van 1663 blijkt dat mest in de 17e eeuw al een probleem vormde. In Overijssel verschijnt op 15 april een plakkaat met het opschrift:

" ...Verbod tegens het uitvoeren van Mest uit dese Provincie, en 't maken van Mestinge, tot brand of anders te gebruiken...."

Hier worden twee dingen bepaald: niet alleen het vervoer naar buiten, maar ook het verbranden van mest wordt verboden. Het is klaarblijkelijk winstgevend de overtollige mest per kar of schip naar een ander gewest te vervoeren om die daar te verkopen.

 

Inhoud.

Het vervoer van mest uit de provincie of het verbanden er van leidt: ".... tot groot ongeryf onser Ingesetenen...."

Op het eerste gezicht is het niet duidelijk wat de Staten [Ridderschap en de steden] hiermee bedoelen. Het vervoer en de handel in mest tussen Overijsselse boeren onderling is niet in het geding en blijft dus toegestaan. In deze periode is de natuurlijke mest onmisbaar voor de landbouwer. Overtollige mest is schaars en een gewild handelsartikel. Het komt, als gevolg van vraag en aanbod, uiteindelijk terecht bij de meest biedende. De toenemende vraag naar mest in een aangrenzende provincie zal ook het aanbod naar zich toetrekken. Maar zowel bij het vervoer naar buiten als het verbranden hebben dezelfde gevolgen: de hoeveelheid beschikbare mest in Overijssel vermindert en de prijs ervan stijgt.

De ingreep van de Staten werkt dus als een beschermende maatregel om aan de voortdurende vraag naar mest uit het eigen gewest te kunnen blijven voldoen. Door nu de uitvoer van mest te verbieden schakelen de Staten de concurrentie van andere gewesten vanzelf uit, waardoor de prijsstijging wordt tegengegaan. De verkoop aan de "ingesetenen" van Overijsel blijft dan als enige mogelijkheid over.

 

Tekst.

Het plakkaat beargumenteert het verbod in de juridische taal van toen:

"....De Staten van Over-Isel, Doen weten; Alsoo Wy in ervarige komen, dat uit dese Provincie, elders nae toe, seer word vervoert end verkoft de Mestinge in deselve vallene, tot groot ongeryf onser Ingeseten; ende om daer tegens volgens 't exempel [voorbeeld] van Nabuirige Provincien, mede te versien...."

 

Hieruit blijkt dat de buurprovincies een soortgelijk vervoersverbod kenden.

Hierna volgt het besluit:

"... So is 't; Dat wy goetgevonden hebben [om] wel ernstelyk te verbieden ende te interdiceren [ontzeggen]: gelyk wy sulx doen by desen, dat niemand eenige Mest, van Peerden, Koeyen, Schapen, Verkens, Duiven, straten-mest, ofte diergelyke, uit, of buiten dese Provincie, ende elders nae toe, met wagens, karren, schepen, pramen ofte schuiten sal mogen vervoeren, transporteren ofte verbrengen [wegbrengen], ofte deselve buiten dese Provincie doen vervoeren, transporteren ofte verbrengen, by verbeurte van deselve Mest, ende het gene waer in die also mogt worden verbracht ofte vervoert...."

De inwoners zijn gewaarschuwd! Wie het vervoersverbod toch overtreedt, loopt de kans gepakt te worden. Dan wacht en dubbele straf: niet alleen de mest, maar ook het vervoermiddel wordt verbeurd verklaard.

Ook het verbranden van mest wordt bij wet geregeld: er komt gelijktijdig en verbod op het verbranden van mest:

".. Gelyk ook mede wel expresselyk [uitdrukkelijk] word verboden dat niemand eenige Mestinge sal mogen maeken oom tot brand of anders toe te gebruiken: Waer na een jider die 't aengaet sich moge reguleren [naleven] ....."

                                                

 

De Statenleden kennen evenwel hun plattelanders. Voor de boeren, verspreid over het platteland, is het niet moeilijk een uitvlucht te verzinnen. Wat is nu eenvoudiger dan zich voor de domme te houden en bij aanhouding aan te voeren het reglement niet te kennen. Een mens kan tenslotte niet van alles op de hoogte zijn. Ridderschap en Steden hebben hierop het volgende gevonden:

 

".. Ende ten einde niemand eenige ignorantie [onwetendheid] kom te praetenderen [voorgeven], sal dese alom worden gepubliceert ende g'affigeert [aangeplakt], ter plaetsen daermen gewoon is dusdanig publicatie en affictie [aanplakken] te doen. Aldus gedaen ende g'arresteert [goedgekeurd] op onse Vergaderinge binnen de stad Zwolle den vyftienden April, Anno sestienhondert drie en sestig. Ter ordononnatie [bevel] van de welgemeldte Heeren Staten,

D. ROELINCK.."

 

Een eeuw later.

Bovenstaand mestverbod is ruim 130 jaar later nog steeds van kracht. In 1776 komt hier een verandering. De Staten van Overijssel besluiten de verordening van 1663 aan te vullen door er een uitzondering aan toe te voegen.

" Bij publicatie van Ridderschap en Steden van 4 April 1776 is dit verbod als volgt geamplieerd [aangevuld] ....".

Deze geldt voor eigenaren, woonachtig in Overijssel, maar met bouwland in een andere provincie. Deze groep voelt zich terecht door het bestaande mestverbod benadeeld. Voortaan krijgen zij alleen het recht mest uit te voeren om hun landerijen in een andere provincie gelegen, te bemesten. Het bezit van een eigendoms- en vervoersverklaring van de eigenaar, bekrachtigd door de plaatselijke schout of richter, is wel een vereiste.

Hierna volgt een nagenoeg gelijkluidende tekst als die van 1663. De uitzondering luidt:

" .. als ook nog uitgezonderd de mest des Ingezetenen van dese Provincie, die deselve wel ter bemesting naar hunne eijgene Landerijen doch buijten dese Provincie ende over de confinien [grenzen] gelegen zouden willen vervoeren, des dat zodanige mest mede zal moeten zijn voorzien van een gerichtelijke verklaring van den eijgenaar der voorschreven mest, dat dezelve ten voorgemelden zijnde word vervoert en getransporteert ....".

Een mestverbod dus, gericht tegen de concurrentie van buiten, de stabilisatie van de prijs en dit alles tot bescherming van de eigen Overijsselse landbouwers.

 

 

A. P. Ouweneel; eerder verschenen in Rondom de Toren, nr. 38, september 1994.

Ingekort en bewerkt door Freerk Kunst.

 

 

Reacties